“Papa, wanneer mag ik eens mee naar Afrika?”, als jonge sociaal werker die zijn stage had gedaan bij een NGO voor ontwikkelingssamenwerking was Afrika bezoeken vergelijkbaar met de Olympische Spelen voor een sportman, een stille droom zeg maar…
Tot begin 2009 het bericht kwam dat alles in kannen en kruiken was en ik naar het UZ mocht hollen om de nodige vaccins te krijgen. Het avontuur kon nu echt beginnen…!
De eerste indrukken…
Het is al goed donker als de eerste Afrikaanse geuren onze zintuigen bereiken. Aan de controle en douanes ziet het zwart van het volk (ebdem ?). Blijkbaar zijn we een van de weinige niet-Afrikaanse vluchten die landen in Bujumbura, de hoofdstad van Burundi. Onze aankomst is dan ook een evenement van jewelste met de nodige chaos bij het terugvinden en organiseren van je bagage.
Tussen de militairen met mitraillet in de hand door treffen we onze Afrikaanse Mutualiteitsvrienden Pierre en Vedaste aan. Zij brengen ons richting stad met een busje. Onze bagage vliegt in zo’n hippe jeep met een enorme laadruimte aan in openlucht. Gelukkig is het nog 26° om 22u en hoeven we ons niet druk te maken om een extra trui of een regendruppel.
De mensen
Onze reisgenoten (hun 29ste keer) zijn zo goed als Burundese allochtonen en laten ons toe om dagdagelijks nieuwe mensen te ontmoeten : een priester, een arts, de communicatieadviseur van het bisdom,… Je maakt niet meer kennis met ‘nen Afrikaan’, maar een persoon met een verhaal. En kennismaken doe je door een hand te geven en een omhelzing (als je iemand al een beetje beter kent). Daarna sla je een praatje, want ‘dringend ergens naartoe moeten’ staat hier niet in het woordenboek. ‘Amahoro’ wel, en dat betekent ‘Vrede’. Je gebruikt het om elkaar te begroeten.
Communiceren doen we hier trouwens in het Frans (à la Africaine). Als je echter wat dieper in de dorpen gaat, moet je terugvallen op het Kirundi, wat nauwelijks te leren valt als je het als kind niet ingelepeld kreeg.
De visites
Vanuit de hoofdstad Bujumbura reden we ‘en danseuse’ langs het Tanganyikameer (met een schitterende zwemtemperatuur) en een tocht door het binnenland naar Gitega, onze uitvalsbasis en de tweede stad van het land.
Op zondag maakten we een Afrikaanse mis mee in de gevangenis, die me een sterk Prison Break-gevoel gaf. De gevangenis is een echte hel en je kan alleen maar hopen dat familie je af en toe wat geld of middelen toestopt zodat je eten kan kopen en zelf een plaatsje kan huren voor een nacht. De stallen zijn overboekt en niet iedereen kan ‘s nachts neerliggen. Als je daarbij telt dat ‘een beschuldiging’ voldoende kan zijn om daar 10 jaar van je leven door te brengen
Het laatste dat ik dan verwachtte waren klappende en dansende mensen tijdens de viering die we daar meemaakten. Van de hele mis in het Kirundi begreep ik geen snars, maar je voelde tenminste dat het om een ‘viering’ ging. Zingen, dansen, klappen en het begrip samenhorigheid echt voelbaar maken, het was mooi om te ervaren. Ik ben helemaal geen fan van ‘het geloof’, maar als ik zie welke hoop en kracht mensen daaruit putten, kan ik alleen maar blij zijn dat mensen daarop kunnen terugvallen. Bij het verlaten van de kapel op de binnenkoer werden we vergast op een optreden van de tambourinairs. Zoveel vreugde en hoop uitstralen in dergelijke omstandigheden is alvast één domein waarop zij rijker zijn dan ons.
Kennis maken met de mutualiteitsprojecten deden we op maandag. In het plaatselijke gezondheidscentrum gaan dagelijks toch een 200-tal consultaties door. Afhankelijk van het perspectief van waaruit je kijkt is het centrum een stap vooruit of een medische ramp. De Burundezen beheren zelf hun mutualiteitswerking en worden daarbij ondersteund door de CM. Dat de inwoners het project erg genegen zijn blijkt uit de overvolle vergadering die de verdere ontwikkeling van de mutualiteit op de agenda plaatst.
Zelf ben ik de rest van de week dag stap geweest met medewerkers van AVEDEC, een Burundese NGO die werkt rond de toegang basisvoorzieningen, waarvan water de belangrijkste is. Ik maakte de verkiezingen van een nieuw watercomité mee en was getuige van de opbouw van een educatiecentrum. AVEDEC is erg actief in de heuvels waar watertoegang nog niet vanzelfsprekend is. De beschikbare waterbronnen in de bergen worden samen met de bewoners gebruiksklaar gemaakt, waarna ook de bewoners vorming wordt aangeboden over hoe je op een hygiënische wijze met het water omgaat.
De cultuur
Tijdens de tweede week kregen we nog meer de kans om de Afrikaanse Cultuur op te snuiven. Het heerlijk groene kader waar je in rondloopt had een hoogtepunt tijdens het bezoek aan de Watervallen van Carrera: ongerept water waar je zo kan gaan onderstaan en je enkel natuurgeluiden hoort. Ook de hele tocht langs het Tanganika-Meer is een streling voor het oog.
De bewaarde geschiedenis van een land als Burundi is behoorlijk beperkt. Op een halfuurtje ben je door het Nationaal Museum waar primitief Afrika in enkele tientallen voorwerpen wordt voorgesteld. Ook de historische site in Gishora waar de laatste koning ooit verbleef is klein maar charmant. Het feit dat je het zo snel gezien hebt zegt soms net heel veel.
Dat Burundezen kunnen feest vieren bewijzen ze elke misviering opnieuw. De gewone eucharistie, een vormsel waar 800 kinderen tegelijk gevormd worden in de grote kathedraal of zelf een doopsel van een uiterst schattige drieling in een klein kapelletje van een plaatselijke zusterorde. Oorverdovend gezang en een aanstekelijk ritme geven een brandend warm gevoel in je buik, het is zoals een beetje verliefd worden…
En tenslotte moet ik ook dankbaarheid vermelden. Overal waar we kwamen was er iets voorbereid of werden we overstelpt met eten en cadeaus. Je wordt stil, een kippenvelgevoel bekruipt je en met een warm gevoel ga je slapen. Zeker die ene avond toen mijn nieuw petekindje werd gedoopt en ik haar mocht vasthouden tijdens het ritueel. Het meisje was 6 maand geleden nog op sterven na dood door ondervoeding… Het gevoel dat me overviel toen ik zelf een naam mocht kiezen en de belofte maken mee de zorg voor haar op te nemen tijdens het vervolg van leven is niet te verwoorden…
’t Logement
Geen Holiday Inn, geen zwembad en al helemaal geen bickyburgers als ontbijt. Burundezen eten normaal alleen ‘s avonds. Op het bisdom waar we verblijven kennen ze gelukkig een dikke snee brood met confituur. En na een goeie picknick maken ze ‘s avonds altijd alles klaar wat ze in huis hebben ; een soort stoofvlees, rijst, wortels en erwten en iets wat het midden houdt tussen frieten en gebakken patatten. De cultuur van het huis wil dat de gasten zich eerst van het vlees mogen bedienen en als er nog over is, krijgt de rest van de tafel ook nog wat, wat dan ook gebeurt. Honger lijden doen we hier dan ook niet. Bovendien hebben we een heel arsenaal aan koekjes en snoepjes waarmee we menig kinderhart hier laten sneller slaan. Op onze kamer beschikken we over elektriciteit, een emmer vol water en een fles drinkwater en een bed met een muskietennet rond, meer dan voldoende.
Wat ik onthou en meedraag…
Als je als blanke hier rondloopt, waan je je bij momenten een koning in volle aandacht waardoor ik me vaak toch onwennig voel. Zijn de blikken die je krijgt van afgunst naar ‘die Blanke’ of net interesse ? Ik ben er nog niet helemaal uit, maar het is sowieso een enorm rijke ervaring. De teloorgang van de evidentie laat je twijfelen over de dingen waar je altijd al vanuit ging. Is transport tijdverlies of een moment voor sociaal contact ? Maakt het eigenlijk wat uit hoe laat het is ? Zijn mensen altijd ongelukkiger met wat minder ? … Wat is nu werkelijk een probleem en waarvan maken wij een probleem ? Het is een kluif voor filosofen en het zijn levensvragen voor ons. En ondanks de soms confronterende armoede is het evengoed een kennismaking met een warm volk, een ongekend positivisme en een menslievendheid waarbij mensen met bijna niks je nog alles willen geven.
Jij en ik,
Het is vreemd, anders dan gewoon.
Anders kan ook gewoon zijn.
Best vreemd.

